Boekrecensie Harm Stevens, ‘Gepeperd verleden. Indonesië en Nederland sinds 1600’ (Amsterdam / Nijmegen 2015)

Gepeperd verleden.jpgWat is het jammer dat er nog zo weinig aandacht besteed is aan de boeken die de afdeling geschiedenis van het Rijksmuseum sinds afgelopen najaar uitgeeft over landen waarmee Nederland een ‘gedeeld’ verleden mee heeft. Zij zijn prachtig vormgegeven en reflecteren, aan de hand van de collectie van het Rijks, kritisch op de relatie van Nederland met verschillende gebieden overzee. Na de opening van het Rijksmuseum in april 2013 heeft het museum vanuit postkoloniale hoek (onder meer van ondergetekende en collega’s) de nodige kritiek te verduren gehad en het museum heeft dat ter harte genomen. Deze boekenreeks, een multimedia tour en een kritische herziening van tekstbordjes waarbij woorden als ‘neger’ en ‘hottentot’ verwijderd zijn, zijn het gevolg. Het eerste boek dat in de reeks verscheen en dat de relatie tussen Nederland en Indonesië tot onderwerp heeft, is van de hand van conservator geschiedenis (20e eeuw) Harm Stevens. Het heet Gepeperd verleden. Indonesië en Nederland sinds 1600. Zoals alle andere boeken die verschenen zijn in de uiterst smaakvol door grafisch ontwerpster Irma Boom verzorgde reeks heeft dit boek de collectie van het Rijksmuseum als uitgangspunt, wat meteen het kader en enigszins de beperkingen bepaalt.

Een eigentijds boek

Er is veel mooi en goed aan dit boek: het is prettig geschreven op de basis van degelijk onderzoek, rijk en prachtig geïllustreerd met afbeeldingen, de invalshoek is kritisch (‘gepeperd’ immers!) en de onderwerpen zijn boeiend en variëren van de genocide van J.P. Coen op het eiland Banda-Neira in de Molukken, de Java-oorlog van 1825-1830, het geweld dat gepaard ging met de koloniale expansie tot het Indonesische vrijheidsstreven. Dat alles behandelt Stevens aan de hand van objecten, bijvoorbeeld schilderijen, een schild of een uniform. Deze aanpak is verfrissend en levert interessante perspectieven op.

Voor postkoloniale historici is het een verademing te lezen dat Stevens durft te spreken over de ‘gruweldaden gepleegd door het Indisch Leger’[1] en de ‘wreedheden die de Nederlanders lieten plegen om hun gezag te vestigen’.[2] Hij heeft het over de ‘killing fields’ van Banda en stelt dat de gevolgen indirect af te lezen zijn van het schilderij van Vingboons van het eiland Neira, bestemd voor de vergaderzaal van de Heren XVII en Kamer Amsterdam. Stevens schrijft: ‘vrijwel ieder inheems element was geëlimineerd in deze afbeelding van de killing fields van het nootmuskaatmonopolie.’[3] Een rechtlijnig stratenpatroon, het galgenveld en de langwerpige perken op het schilderij spreken wat hem betreft boekdelen. Hiermee, en met de andere voorbeelden in het boek, laat Stevens zien dat hij oog heeft voor objecten en de, soms gruwelijke, verhalen die zij kunnen vertellen. Veertien jaar geleden schreef Kees Zandvliet, in de functie van directeur van de afdeling Nederlandse Geschiedenis van het museum, nog over dit en de andere schilderijen van de VOC-factorijen: ‘Wie in deze schilderijen een bewijs zoekt voor een agressieve, overzeese koloniale expansie vergist zich echter.’[4] De kritische blik en de benadering van objecten als dragers van een verhaal maken van Gepeperd verleden een heel eigentijds boek.

Onbenutte kansen

En toch vind ik ook dat er kansen onbenut zijn gebleven. In het voorwoord verhaalt de vooraanstaande Indonesische journaliste en schrijfster Ayu Utami (1968) over de wijze waarop het koloniale verleden door zowel de Indonesische als Nederlandse cultuur benaderd werd en wordt. Ze spreekt in de tekst de hoop uit dat de beide partijen de staat waarin zij nu verkeren kunnen overstijgen en tot een ‘geschiedenis van onze menselijkheid’ kunnen komen. Daarvoor is vruchtbare dialectiek nodig, zo meent zij. Juist dit boek had volgens mij die dialectiek kunnen stimuleren en richting geven, maar dit komt door het ontbreken van het Indonesische perspectief niet van de grond.

De invalshoek van het boek, en daarmee de verhalen die verteld worden, blijven toch vooral heel Nederlands. Dat wordt geïllustreerd door een hoofdstuktitel als ‘het schild van luitenant Regensburg’, dat mijns inziens toch vooral een schild van een Dayak-krijger uit Kalimantan is, en het bespreken van het schilderij van Pieneman van de arrestatie van Diponegoro, en niet de interpretatie van de Javaanse schilder Raden Saleh uit 1857 of die van Heri Dono uit 2007.[5] Harm Stevens erkent die eurocentrische blik. Hij beroept zich op het praktische feit dat de objecten door het Rijksmuseum verzameld werden en op de stelling van socioloog Van Doorn dat ‘[e]urocentrisme een gezichtspunt [is] dat een bepaald blikveld opent, niet een vooroordeel dat de werkelijkheid miskent’ om dit perspectief te verantwoorden.[6] Dat is een begrijpelijke keuze, maar daarmee hou je in feite oude, nationaal-koloniale contexten in stand, blijf je een (tamelijk negentiende-eeuwse) Nederlandse nationalistische agenda dienen en bereik je in ieder geval geen dialectiek. Waarom is dan gekozen voor de titel ‘Indonesië en Nederland’? Daarmee maak je Indonesië tot leidende natie en niet Nederland, wat verder in het boek niet wordt waargemaakt.

De titel (‘Indonesië en Nederland sinds 1600’) suggereert tevens dat het verleden doorloopt tot het heden, maar ook daarin wordt de lezer teleurgesteld, op een uitstapje naar de recentelijke schenking van de staf van Diponegoro aan Indonesië na. Voor Stevens houdt de dekolonisatie op in 1962 als Nieuw Guinea deel van Indonesië wordt. Hij suggereert bovendien in zijn inleiding door in de voltooid verleden tijd te spreken dat de verwerking van het koloniale verleden reeds afgerond is en dat er met dit boek rekenschap is gegeven. Kortom, de koloniale geschiedenis in dit mooie boek is toch nog vooral een nationale, Nederlandse geschiedenis die eindigt in 1962 en is geen transnationale, verbonden, geschiedenis die nog steeds doorwerkt.

En eigenlijk stelt Stevens zelf ook dat dat proces van rekenschap geven nog niet is afgelopen is als hij uiteindelijk concludeert dat zolang ‘ouderwets-koloniale en simplistische taal van voor de oorlog [in het Rijksmuseum, CD] weerklinkt, (…) er nog winst te boeken [is]’.[7] Ik zou dan ook willen besluiten dat met dit boek weer een stap verder is gezet in de totstandkoming van een zinvolle discussie over het koloniale en postkoloniale verleden, waarbij het Indonesische perspectief gelijkwaardig kan staan naast het Nederlandse, en zo verder verantwoording afgelegd kan worden. Daarbij levert dit werk een zinvolle en zeker interessante bijdrage.

Inmiddels zijn ook de boeken over China, Ghana en Japan verschenen. Sri Lanka, Suriname, Brazilië, Zuid-Afrika en India volgen nog.

Het boek is hier te koop.

 Noten

[1] Harm Stevens, Gepeperd verleden. Indonesië en Nederland sinds 1600 (Amsterdam / Nijmegen 2015) 93.

[2] Ibidem, 49.

[3] Ibidem, 25.

[4] Kees Zandvliet, ‘Vestingbouw in de Oost’, in Gerrit Knaap en Ger Teitler red., De Verenigde Oost-Indische Compagnie tussen oorlog en diplomatie (Leiden 2002) 151—180, aldaar 170.

[5] Meer over de verschillende artistieke interpretaties van de gevangenneming van Diponegoro in: Sanne Oorthuizen, ‘De erfenis van Raden Saleh’, in: Meta Knol, Remco Raben en Kitty Zijlmans red., Beyond the Dutch. Indonesië, Nederland en de beeldende kunsten van 1900 tot nu (Utrecht/Amsterdam 2009) 25-34.

[6] Stevens, Gepeperd verleden, 19.

[7] Ibidem, 163.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s