‘Hetgeen mij wedervoer, ’t geen ik dacht, ondervond en bij mij zelf gewaar werd’: dagboeken en de kolonie Nederlands-Indië rond 1860

Vorige week joeg ik mijn studenten het Nationaal Archief in Den Haag in om aan de slag te gaan met dagboeken, brieven en autobiografische aantekeningen uit en over Nederlands-Indië. Wat daar ligt zijn natuurlijk de archieven van de –veelal blanke – Europese elite in de kolonie. Eén van de archiefstukken die ik had aangevraagd was dan ook het dagboek van een hoge Europese militair uit het midden van de negentiende eeuw, Cornelis Pieter Jacobus Elout (1795-1843).[i]

Onderzoek naar dagboeken

Dagboeken vormen voor historici interessante bronnen. Al eens eerder bestudeerde een groep studenten onder leiding van collega Leonieke Vermeer (die heel interessant onderzoek doet naar ziektebeleving in de negentiende eeuw door te kijken naar dergelijke ‘egodocumenten’)[ii] en mij dagboeken rondom het protestantse Réveil, een negentiende-eeuwse religieuze opwekkingsbeweging, en kregen we inzicht in de emoties en persoonlijke besognes die mensen lang geleden aan het papier hadden toevertrouwd.
Hoe intiem ze ook lijken, dagboeken onthullen niet alles. Want een mens doet zich al snel mooier voor dan in het echt en welke functie heeft een dagboek eigenlijk? Daarover is nog lang niet alles gezegd. Is het om emoties te verwerken, om grip te krijgen op het leven en om ervaringen te controleren zoals historici Baggerman en Dekker, voortbouwend op de ideeën van Koselleck, suggereren?[iii] De Franse literatuurwetenschapper Philip Lejeune ziet het bijhouden van dagboeken als onder meer iets dat de mogelijkheid geeft zelf te kunnen reflecteren op eigen gedrag en gedachten; om zichzelf te kunnen bevrijden van gedachten en emoties door die te communiceren.[iv] Leonieke kijkt bijvoorbeeld naar de manier waarop mensen dagboeken gebruikten om met ziektes om te gaan.

Privé of publiek?

Dagboeken zijn daarbij niet altijd zo privé als we nu denken. Sommige mensen hielden een dagboek bij om het later uit te geven en zo hun eigen identiteit vorm te geven, weer anderen gaven het dagboek te lezen aan anderen. Het kan ook weer nog anders.

caroline-van-loon
Caroline van Loon (1833-1899), ca. 1860. Stadsarchief Amsterdam, Collectie familie Van Lennep.
In de dagboeken van de Amsterdamse Caroline van Loon (1833-1899) zijn boven haar eigen zinnen of in de kantlijn van het boekje opmerkingen over de inhoud geschreven. Ze zijn van haar verloofde Maurits, die haar dagboek geregeld las en op wat zij schreef en beschreef, nogal paternalistisch, commentaar gaf.[v] Caroline was zich bewust van de implicaties van het feit dat haar dagboek werd gelezen, want ze beplakte uiteindelijk passages waarin zij blijk gaf van haar ‘kokende liefde’ naar haar ‘Mausjen’.[vi] Hoe naïef die kokende liefde zou zijn, heeft Marita Mathijsen overigens eens alleraardigst beschreven in haar zeer leesbare boek De gemaskerde eeuw.[vii]

Het dagboek van Elout

Het lijkt alsof generaal Pieter Elout, geheel conform de ideeën van Lejeune, zijn dagboek vooral gebruikte om zijn innerlijk te ontleden en om zichzelf te kunnen bevrijden van, en om misschien wel grip te kunnen krijgen op, zijn gevoelens. In 1835 was hij in Batavia met Carolina, ‘Lina’, Benjamina Catharina Brest van Kempen (1807-1888) getrouwd. Hij was toen al rond de veertig en een militair van aanzien: hij was immers de zoon van C. Th. Elout (1767-1841), commissaris-generaal van Nederlands-Indië, had twee militaire ridderordes op zak en was kolonel bij de infanterie. Zij was op dat moment ongeveer 28 en de dochter van de directeur van de Landsdrukkerij, Jacobus J. Brest van Kempen.

Elout schreef dat hij het dagboek was begonnen om ‘op te teekenen van hetgeen mij wedervoer, ’t geen ik dacht, ondervond en bij mij zelf gewaar werd’,[viii] omdat hij het moeilijk vond om een ‘betrekkelijk eenzaam leven hier te leiden’. Hij verzuchtte dan ook: ‘hoe zal ik het inrichten?’ De intentie van het analyseren van zijn gevoelens komt hier duidelijk naar voren, eveneens een wat onduidelijke worsteling met het ‘betrekkelijk eenzaam leven’. Wat waren die worstelingen precies? Wat is eenzaam als je een gezin hebt? Hij onderzocht bovendien zijn zielenroerselen zonder medeweten van zijn echtgenote Lina (‘aan Lina heb ik daar van geen kennis gegeven’, vertrouwde hij het dagboek toe). Waarom zou hij dat gedaan hebben? Het zijn vragen waarop we niet zo snel antwoord op hebben. Dat hij zelf veel belang hechtte aan het dagboek blijkt uit zijn wens dat hij vond dat zijn zoon, ‘indien hij mij overleeft, en hij op jaren, voor onderscheids zal gekomen zijn’, het moest lezen.

In het dagboek uitte hij onder meer zijn zorgen over zijn vrouw haar sukkelende gezondheid: zij had, zoals zoveel vrouwen in die tijd, in korte tijd een miskraam gekregen, twee gezonde zonen en twee dochters, waarvan haar dochtertje Maria Frederica van anderhalf (genoemd naar haar grootmoeder Maria Frederica van Engelen van Strijen) overleed toen zij thuis bij haar grootouders was. Zorgen over zijn eigen gezondheid begonnen in het najaar van 1842 deze zorgen te overschaduwen: ‘met mijn innig geliefde gade die al beter en beter wordt, gaat het toch hier minder wel’.[ix] Het deed hem besluiten naar Nederland te gaan. Op 8 januari 1843 stapten hij, Lina en hun kinderen op de ‘Hugo Grotius’ naar Rotterdam. Een half jaar later overleed hij aan de ‘koortsen’ in Haarlem, ‘spoediger dan men verwachtte’.[x] Hij was pas zevenenveertig jaar. Zijn vrouw is dan kennelijk achter het bestaan van het dagboek gekomen en besluit het schrijven over te nemen. Waarom zou ze het gedaan hebben? Het lijkt belangrijk voor haar te zijn geweest. Voor haar fungeerde het dagboek als een manier om zichzelf te bevrijden van het verdriet en met haar man ook na zijn dood het contact te behouden: ‘waarom, waarom, maar nee, mijn Elout, zo mag ik niet praten.’ En: ‘wat voel ik mij zwak als ik me bedenk aan de taak die op mij rust’. [xi] Ze houdt het dagboek nog drie jaar bij.

Tot slot

Dagboeken, zowel hun inhoud als hun vorm, zijn zeker geen eenduidige historische bronnen en verschaffers van objectieve feiten, maar kunnen inzicht geven in de koloniale ervaringen van specifieke groepen mensen en de emoties waarmee ze worstelden. Het zijn fascinerende, persoonlijke, informatieve vensters op een specifieke tijd,  plaats en sociale klasse, in dit geval de top van de Europese elite van de Nederlandse kolonie in Azië.

Met dank aan de studenten Cultuurwetenschappen van de Open Universiteit: Marcel Assies, Maria van der Drift, Katinka Magusin, André Paijmans en Janneke Vos-Arwert.

Noten

[i] Nationaal Archief (NA), Collectie 003 Elout, toegangsnummer 2.21.059, inv.nr. 257. Dagboek van C.P.J. Elout, 1842-1843. Na zijn overlijden voorgezet door zijn weduwe, 1843-1846.

[ii] Meer lezen over Leonieke Vermeer haar onderzoek kan onder meer hier: https://www.historici.nl/blogs/redactie-historicinl/ongelezen-verbranden; http://www.mijnedlet.nl/mdnl/?column=lief-dagboek-openhartigheid-en-zelfcensuur-in-dagboeken

[iii] Arianne Baggerman en Rudolf Dekker, ‘’De gevaarlijkste van alle bronnen’. Egodocumenten: nieuwe wegen en perspectieven’, Tijdschrift voor Sociale en Economische Geschiedenis 1 (2004) afl. 4, 3-22, aldaar 18.

[iv] Philip Lejeune, ‘How do diaries end?’ Biography 24 (2001) 99-112, aldaar 106-107.

[v] Bijzondere Collecties Amsterdam, UBA, Reveil Archief (RA), inv.nr. 0020. Met dank aan André Paijmans: ‘Caroline van Loon. Geestelijk lijden in de negentiende eeuw en de rol van het dagboek’, werkstuk voor de Zomerschool van de Open Universiteit, 2014. Dit lijkt erg veel op het kinderdagboek uit de negentiende eeuw dat op verzoek van ouders door kinderen bijgehouden moest worden en door ouders gelezen werd. Het dagboek werd door ouders als pedagogisch hulpmiddel beschouwd: zo konden zij hun kinderen beter leren kennen en eventueel bijsturen. Zie: Arianne Baggerman, ‘Lost time: temporal discipline and historical awareness in ninteenth-century Dutch egodocuments’ in: Arianne Baggerman en Michael Mascuch eds. Controlling time and shaping the self. Developments in autobiographical writing since the sixteenth century (Leiden/Boston 2011) 455-477, aldaar 470.

[vi] Bijzondere Collecties Amsterdam, UBA, RA, inv.nr. 0019. Met dank aan Maria van der Drift: ‘Het verborgen lijden van Caroline Wilhelmina van Loon’, werkstuk voor de Zomerschool Cultuurgeschiedenis van de Open Universiteit, 2013.

[vii] Marita Mathijsen, De gemaskerde eeuw (Amsterdam 2002) 21-23.

[viii] NA, Elout, 2.21.059, inv.nr. 257. Dagboek van C.P.J. Elout, 5 februari 1842. Met dank aan Marcel Assies, Katinka Magusin, André Paijmans en Janneke Vos-Arwert.

[ix]  Ibidem. 13 september 1842. Met dank aan Marcel Assies, Katinka Magusin, André Paijmans en Janneke Vos-Arwert.

[x] Nederlandsche Staatscourant, 9 september 1843.

[xi] NA, Elout, 2.21.059, inv.nr. 257. Dagboek van C.P.J. Elout.

2 gedachtes over “‘Hetgeen mij wedervoer, ’t geen ik dacht, ondervond en bij mij zelf gewaar werd’: dagboeken en de kolonie Nederlands-Indië rond 1860

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s