Een ‘lelijk vuil ding’: een diamant in het Rijksmuseum en de doorwerking van koloniaal denken

Deze week maakte het Rijksmuseum bekend onderzoek te willen doen naar de al dan niet rechtmatige verwerving van verschillende objecten. Eén van de objecten die centraal staat in het onderzoek is de diamant van de sultan van Banjarmasin die vanaf het midden van de twintigste eeuw niet meer te bezichtigen is geweest, maar nu weer tentoongesteld wordt in Nederlands nationale museum bij uitstek.

Banjarmasin diamant. RM NG-C-2000-3

De diamant uit Banjarmasin. Collectie Rijksmuseum, Amsterdam. Inv.nr. NG-C-2000-3.

De herkomstgeschiedenis van dit object en de betekenissen die in de loop der tijd, tot de dag van vandaag, aan deze diamant zijn toegekend, geven inzicht in heersende Nederlandse referentiekaders, gedrag en de manier waarop kennis en ‘waarheden’ tot stand kwamen en nog steeds komen, meestal in samenhang met de vorming van (nationale) zelfbeelden. Dit in de negentiende eeuw gevormde ‘koloniaal cultureel archief’ beïnvloedt volgens emeritus hoogleraar Gloria Wekker nog steeds het denken en doen en de identiteit van de Nederlands samenleving.

Hoe diepgeworteld bepaalde denkbeelden en opvattingen inderdaad zijn en welke rol musea als het Rijksmuseum in de creatie en continuatie daarvan spelen, laat de sociale biografie van deze diamant zien. Want hoewel Wekker in haar boek White innocence, waarin ze dat ‘koloniaal cultureel archief’ introduceert, musea niet expliciet benoemt, hebben wetenschappers zoals Eilean Hooper-Greenhill laten zien hoe musea sinds de negentiende eeuw een belangrijke rol speelden, en nog steeds spelen, in de creatie, overdracht en continuatie van een ‘waarheid’, conform de opvattingen over kennis en de referentiekaders van die tijd – het door Wekker bedoelde ‘cultureel archief’.[1]

Musea laten zien hoe de wereld ingedeeld en begrepen wordt; hoe de eigen nationale ‘zelf’ en het verleden en heden in een bepaalde tijd worden gezien. Al deze zelfbeelden en identiteiten waren in de negentiende eeuw onlosmakelijk verbonden met de westerse overtuiging van witte superioriteit en nationale trots. Deze overtuigingen zijn, aldus Wekker, de fundamenten van ons hedendaagse perspectief op de wereld en onszelf. Musea schraagden en schragen als letterlijke cultureel archieven, als geografische plaatsen van bewaring van cultureel erfgoed, dit cultureel archief van kennis, referentiekaders en gedrag.

Dit culturele archief beïnvloedt ook, zo zou ik willen beweren, ons denken over wat ‘rechtmatig’ is en wat niet: een term die juridisch niet enkel hoeft te betekenen dat iets in strijd is met de wet, maar ook in strijd met wat ‘het maatschappelijke verkeer betaamt’.[2] Wat dus rechtmatig is, is ingebed in geldende normen en waarden, denkbeelden en opvattingen van de Nederlandse maatschappij en daarmee samenleving. En die zijn in onze eenentwintigste eeuw dus nog steeds sterk bepaald door de negentiende eeuw. Een kritische reflectie op deze toen gevormde denkbeelden, identiteiten en opvattingen en hun doorwerking tot in het heden, waarvan deze diamant getuigt, is hoe dan ook nodig.

De diamant van sultan Adam Al-Watsiq Billah van Banjarmasin (1786-1857)

Laten we terugkeren naar de diamant uit Banjarmasin, die u hierboven ziet afgebeeld. Het was een van de kostbaarste en dierbaarste regalia van sultan Adam Al-Watsiq Billah van Banjarmasin (r.1825-1857). Diamanten zoals deze fungeerden voor het vorstenhuis van Banjarmasin niet alleen als regalia of versiering, maar ook als amuletten.[3] Ze stonden bovendien symbool voor de regio in zuidoostelijk Kalimantan, waar de diamanten van oudsher werden gevonden.

'Banjarese prince'. Was sultan Adam of wrs zijn zoon pangeran Prabu Anom door A. van Pers rond 1844. Oud nr K143-170. KITLV 36A143

A. van Pers, wellicht sultan Adam al-Watsiq Billah of zijn zoon Prabu Anom, ca. 1844. Collectie KITLV, Leiden. Inv.nr. 36A143.

Deze persoonlijke en politieke betekenissen van de diamant, gingen echter verloren in het Nederlandse beeld van de werkelijkheid waarin deze vorst niet voldeed aan het koningschap: hij werd omschreven als een uitermate zwakke man, praalziek, slordig en onrein.[4] Hij was in Nederlandse ogen praalziek, omdat hij ‘van hoofd tot de voeten met goud en diamanten bedekt’ was. [5] Een ruwe diamant van, zo werd geschat, bijna 80 karaat[6], hing aan een ‘eenvoudig koordje’ om zijn hals en kreeg al gauw een zekere faam onder het Europese deel van de bevolking.[7] De westerse fascinatie voor het kostbare karakter van de diamant en daaruit volgende conclusie van een praalzieke, en dus niet waardige, sultan, liet de andere betekenissen van de diamant als dierbaar persoonlijk sieraad, regalia en amulet tot op de dag van vandaag verdwijnen.

In 1826 had de sultan met het Nederlandse gezag een contract gesloten, waardoor een kwart eeuw later het Nederlandse gezag een troonopvolger voor de sultan kon aanstellen. Die man bleek echter niet te functioneren waardoor na de dood van de sultan er een opvolgingsstrijd ontstond. De Nederlandse oplossing was het sultanaat op te heffen en de inmiddels verspreide regalia, waaronder deze diamant, te confisqueren zodra hun eigenaars daartoe gedwongen, gearresteerd of vermoord waren.[8] Met dit eenzijdig opheffen van het sultanaat en het toe-eigenen van de regalia, ontnam het Nederlandse gezag vorsten hun daaraan ontleende soevereine macht, identiteit en legitimiteit. Zo werden koloniale machtsverhoudingen en Nederlandse superioriteit nog eens duidelijk onderstreept en bekrachtigd.

De diamant werd in 1862 als oorlogsschatting, in een ‘gedraaide, geelhouten kist’, naar Nederland gestuurd.[9] Van het persoonlijk bezit van een vorst, werd de, zoals die in officiële stukken letterlijk heette, ‘buitgemaakte’ diamant een cadeau voor koning Willem III. Die weigerde de gift echter, wellicht omdat de kosten voor het slijpen van de steen bijzonder hoog waren. De steen verkopen lukte om allerlei redenen – die te ver voeren om hier te bespreken – eveneens niet. Van een kostbare steen werd de diamant in de loop van de negentiende eeuw een steen op de maag van de Nederlandse overheid: ‘dat leelijke vuile ding’, schamperde Tweede Kamerlid Fransen van de Putte in 1897, diende ‘opgeruimd’ te worden.[10]

In het Rijksmuseum, vóór de Tweede Wereldoorlog

Uiteindelijk werd in 1902 de diamant in de collectie van het Rijksmuseum opgenomen.[11] Vijfendertig jaar later, in 1937, maakte het onderdeel uit van de presentatie van de in 1894 geroofde kostbaarheden uit Lombok. Achter de vitrine met goud- en zilverwerk hing de spiegelversiering van de Royal Charles, de trofee die Michiel de Ruyter mee terug had genomen van zijn tocht naar Chatham – een gebeurtenis die door veel Nederlanders nog steeds als een van de meest ‘glorieuze momenten uit de Nederlandse krijgsgeschiedenis’ beschouwd wordt.

Deze voorwerpen in het Nederlandsch Museum voor Geschiedenis en Kunst van het Rijksmuseum moesten Nederlands ‘krijgsverrichtingen’ en opofferingen in de koloniën, ten bate van het vaderland, in herinnering roepen – ‘ten nutte van het publiek en tot leering voor den geschiedvorscher’.[12] De steen werd gepresenteerd als: ‘een geschiedkundig gedenkteeken van de onderwerping [van Banjarmasin, CD]’.[13] De diamant moest bezoekers dus herinneren aan de geschiedenis van Nederlands ‘krijgsverrichtingen’  en hen vervullen van nationale trots en koloniale machtsverhoudingen.

Ergens na 1949 en de Nederlandse politieke erkenning van het verlies van de kolonie, verloor de diamant zijn gecreëerde symbolische betekenis als nationale trofee. Nederland richtte zich op zichzelf, op de natie, en de juwelen verdwenen naar het depot, daarbij de geschiedenis van de natie apart plaatsend van de geschiedenis van de koloniën, zoals ook Wekker opmerkt in haar boek.

In het Rijksmuseum, na 2013

Sinds de heropening van het Rijksmuseum is de diamant weer tentoongesteld in de zaal ‘Nederland overzee’ met de bedoeling met zijn herkomstgeschiedenis het geweld in de koloniën aan de kaak te stellen. Ondanks dit mooie streven laat het tekstbordje zien hoezeer de betekenis van deze diamant nog steeds wortelt in negentiende-eeuwse kennis en nationale zelfbeelden.

Zo valt er te lezen: ‘Nadat er problemen waren ontstaan rond de troonsopvolging besloot Nederland (…) het sultanaat (…) met geweld in te lijven. De diamant werd tot Nederlands staatsbezit verklaard’. Hierbij wordt volledig voorbij gegaan aan het feit dat Nederland zelf die dynastieke problemen had gecreëerd. Het geweld dat vervolgens ontstond wordt hier gepresenteerd als een logisch gevolg van die problemen en als een haast noodzakelijke ingreep – dat het recht van Nederland om iets met geweld in te lijven zeer omstreden is, wordt nergens vermeld. De uitdrukking ‘iets tot staatsbezit verklaren’ is daarbij extra schrijnend, omdat dat laat zien hoe eenzijdig, door de ‘verkeerde’ partij, het recht op de diamant werd bepaald. Oorlogsbuit wordt het, in tegenstelling tot de kostbaarheden uit Lombok, niet genoemd – ondanks dat het Rijksmuseum in 1986 de diamant niet wenste tentoon te stellen vanwege zijn gevoelige herkomst.[14]

Anno 2017 is tevens de stem van de sultan, de Indonesische overheid, Indonesische wetenschappers of bevolking nog steeds nergens te horen. Deze dehumanisering en objectivering van de geschiedenis, die al begon met de betekenis die de Nederlanders rond 1850 aan de diamant toeschreven, zien we ook in de titel van het object op het tekstbordje: het object heet gewoon ‘diamant’. Dat het een van de meest persoonlijke bezittingen van een voormalige vorst was, een uiting van zijn identiteit en soevereiniteit, wordt niet vermeld. De mens achter het juweel en de oorspronkelijke betekenissen zijn nog steeds naar de achtergrond verdrongen ten faveure van een narratief van Nederlandse natievorming en koloniale staatsvorming.

In het eenentwintigste-eeuwse tekstbordje wordt deze rond 1900 aan de diamant toegeschreven nationaal-koloniale symbolische betekenis en koloniale blik op de sultan dus nog steeds benadrukt. Hieruit blijkt hoe probleemloos en kritiekloos negentiende-eeuwse denkbeelden over macht en identiteit in een museale context keer op keer herhaald en geïmiteerd worden. Dat kan, omdat ze als vanzelfsprekend, als de werkelijkheid, worden beschouwd. We zien hier hoezeer het door Wekker geconstateerde koloniaal cultureel archief zich manifesteert en daarbij teruggrijpt op de negentiende eeuw, zonder dat bezoekers of conservatoren zich daarvan bewust zijn, omdat het zo’n onderdeel is van hun vertrouwde referentiekaders.

Ik vrees dan ook dat weinigen zullen stellen dat de diamant in strijd met wat maatschappelijk betamelijk is, en dus onrechtmatig, verworven is. Ik stel echter dat het anno 2017 tijd is om los te komen van vastgeroeste, maar nog steeds invloedrijke koloniale denkbeelden, ‘waarheden’ en historische achtergronden en deze te corrigeren. Deze, letterlijk, postkoloniale tijd en samenleving vraagt daarom – verplicht ons haast. Het verklaren van deze diamant als onrechtmatig verworven is wat mij betreft dan ook een eerste, maar belangrijke symbolische stap.

Voor zijn hulp en informatie wil ik Jan de Hond, conservator afdeling Geschiedenis van het Rijksmuseum, bedanken.

Noten

[1] Eilean Hooper-Greenhill, Museums and the shaping of knowledge (Londen 1992).

[2] http://www.juridischwoordenboek.nl/woordenboekonm.html#16575 (geraadpleegd 25 september 2017).

[3] Zo vermeldde het Bataviaasch Nieuwsblad op 19 januari 1883 dat pangeran Hidayatullah van Banjarmasin een grote diamant om zijn nek had als amulet.

[4] Salomon Müller, Reizen en onderzoekingen in den Indischen Archipel, gedaan op last der Nederlandsche Indische Regering, tussschen de jaren 1828 en 1836 dl 1 (Amsterdam 1857) 272; W.A. van Rees, De Bandjermasinsche krijg van 1859-1863 (Arnhem 1865) 11.

[5] NRC, ‘Mengelingen’, 10 februari 1848.

[6] De diamant zou 77 karaat zijn. Pas sinds het begin van de 20e eeuw is deze maat echter internationaal gestandaardiseerd: 1 oude karaat = 1.0276 metrische karaat. Uit: Klaas Akkerman, ‘’Een hart, extraordinair groot.’ De geschiedenis van de grootste diamant in Oranjebezit’, Antiek 24 (1989) 277-296, aldaar 290.

[7] ‘Den beroemden diamant der sultans van Martapoera’, schreef de Rotterdamsche Courant van 18 oktober 1869.

[8] Java-bode, 11 februari 185; Bestuursvergadering Natuurkundige Vereeniging, 11 mei 1865; W.A. van Rees, De Bandjermasinsche krijg van 1859-1863, nader toegelicht (Arnhem 1867) 35.

[9] Documentatiemap Rijksmuseum bij de Banjarmasin diamant (NG-C-2000-3). Gekopieerde stukken uit het Nationaal Archief (ministerie van Koloniën). Procesverbaal bij afgifte aan schipper Siedenburgh.

[10] De Locomotief, 4 juni 1897.

[11] In 1902 werd de diamant formeel in bruikleen van het ministerie van Koloniën aan het Rijksmuseum gegeven.

[12] F.J. Duparc, Een eeuw strijd voor Nederlands cultureel erfgoed (’s-Gravenhage 1975) 31.

[13] Documentatiemap Rijksmuseum bij de Banjarmasin diamant (NG-C-2000-3). Brief ministerie Binnenlandse Zaken aan de directeur van het Rijksmuseum, dhr. B. van Riemsdijk, d.d. 13 oktober 1897 (Rijksmuseum archief).

[14] Ibidem. Brief directeur S.H. Levie aan de directeur-generaal Culturele Zaken, J. Riezenkamp, d.d. Amsterdam, 9 september 1986.

Advertenties

2 thoughts on “Een ‘lelijk vuil ding’: een diamant in het Rijksmuseum en de doorwerking van koloniaal denken

  1. Pingback: Een "lelijk vuil ding": een diamant in het Rijksmuseum en de doorwerking van koloniaal denken | Doorbraak.eu

  2. Pingback: De materiële erfenis van de Lombokexpeditie | Koloniaal verleden, voortdurende erfenis. Indonesië en Nederland

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s