Gesnelde schedels, een geweer en kompas: Georg Müller en een groep Dayaks

Midden in het tropisch regenwoud van Kalimantan was ergens begin 1848 geoloog en natuurkenner Carl Schwaner (1817-1851) in stevige onderhandelingen geraakt met een, nu helaas anonieme groep, Dayaks. Schwaner wilde heel graag een gesneld hoofd, dat zij in hun midden koesterden, kopen en bood daarvoor flink geld.[1]

Schedels van de verschillende koppensnellende Dayak-groepen op Kalimantan werden in deze periode steeds vaker door Europese wetenschappers en militairen meegenomen als exotisch gruwelobject (daarover in een volgend blogje meer). Dat was echter niet de reden dat Schwaner specifiek deze schedel wilde hebben. Terwijl de andere, soms zelfs met tin en koper versierde, schedels voor hem objecten waren die getuigden van een stam in de steentijd verkerende wildemannen, was deze schedel voor hem niet zozeer een artefact dat deel uitmaakte van een lokale cultuur als wel een deel van een lijk dat in die cultuur niet thuis hoorde. Het was voor hem namelijk niet zomaar ‘een’ schedel. Het was de schedel van een Europeaan.

Georg Müller

Drieëntwintig jaar eerder, in 1825, was Georg Müller, zoals hij al vaker had gedaan, met kano’s en een groep Javaanse dragers en bediendes over de rivier de Mahakam de binnenlanden van oostelijk Kalimantan getrokken om te zien of hij door kon steken naar de Kapuas rivier die hem naar het westen, naar Pontianak, zou brengen. Maandenlang bracht Müller voor de Nederlandse koloniale overheid het gebied letterlijk en figuurlijk in kaart.

Georg was geboren in 1790 Mainz en maakte als kind mee hoe zijn stad ingelijfd werd door het leger van Napoleon. Toen hij oud genoeg was, een jaar of zeventien, sloot hij zich aan bij het Habsburgse leger dat. Niet veel later werd Georg echter verordonneerd zich aan te sluiten bij het leger van Napoleon. Na diens nederlaag was het zijn meerdere die hem er op wees dat er kansen lagen in het Nederlandse koloniale leger.[2] Historicus Ulbe Bosma stelde al eens dat nationaliteit in de negentiende eeuw van ondergeschikt belang was[3]: Müllers levensloop lijkt dat te bevestigen en toont bovendien aan hoe, dankzij sociale contacten, transnationale en zelfs transimperiale carrières, in dienst van andere regeringen dan de eigen, gewoon waren.

Handtekening Mueller
Het handschrift van Müller. Nationaal Archief Den Haag, collectie 057 G.J.C. Schneither, nummer toegang 2.21.007.57. Inv.nr. 123.

In een beetje fonetisch Nederlands, dat in de loop der jaren zienderogen verbeterde, schreef Müller in een keurig handschrift opmerkelijk persoonlijke, onderhoudende rapporten naar ‘zijn’ regering over zijn verkenningstochten in Kalimantan. Zo noteerde hij eens, na een barre tocht waarbij hij met zijn gezelschap voor de nacht was neergestreken in een dorp:

 

‘Vermoeid van onzen togt, sloten zich spoedig onze oogen, en eene aangenaame koelte voerde ons eenen vasten slaap toe’.[4]

Toen hij bekende dat hij de oostkust van Kalimantan erg op de westkust vond lijken, schreef hij bijna poëtisch:

‘Hoe meer ik aan mijne gedachtens vrije ruimte gaf, hoe meer de verbeelding mij het tegenwoordige vreemde, als het bekende oude voorstelde; welkander genoegen blijft mij omdwaalenden soms anders in dezen woestijnen over?’[5]

Zijn fascinerende verslagen zijn gelardeerd met gedetailleerde schetsen van de omgeving zoals hij die vanaf de rivier, de enige toegangsweg tot het gebied, observeerde: ondoordringbaar gebladerte, bergen, heuvels, water en een enkele dorpjes kenmerken zijn pentekeningen. De voor westerlingen opmerkelijke gewoonte van het koppensnellen van de vele Dayak-volkeren die hij onderweg tegen kwam en die ook zijn groep vergezelden, ontkwamen niet aan Müllers beoordeling:

‘De natuur heeft hen met geene wreedheid begiftigt, dan het koppensnelle [sic] aan hetwelk zij toegedaan zijn en hetwelk als een aard van onafgebroken kleine oorlog mag beschouwd worden, waarin zij met andere stammen leven, maakt eindelijk ook aan den zachtzinnigsten het vergieten van bloed tot een gewoonte.’[6]

Gezicht op het Chinese kamp van Simpang.
Een tekening van Georg Müller dat de Chinese wijk van Simpang voorstelde. Nationaal Archief Den Haag, collectie 057 G.J.C. Schneither, nummer toegang 2.21.007.57. Inv.nr. 123.

Müllers dood

Hij was al maanden op reis toen Müllers groep op een vroege januarimorgen in 1826, ergens aan de bovenstroming van de Kapuas, bezig was de boten in gereed te brengen toen ze belaagd werden door een groep Dayaks. Slechts twee Javanen waren in staat van de boten in de rivier te springen en naar de overkant te zwemmen (en van daar de koloniale overheid aan de westkust te bereiken). De rest, waaronder Müller, werd vermoord of keerden zich tegen hem. Pas in juni van dat jaar konden de twee Javanen die aan het bloedbad waren ontkomen, gehoord (‘verhoord’, staat er letterlijk in het verslag) worden door de Nederlandse resident van Pontianak.[7]

Ondertussen had de familie van Müller in het voorjaar in de Frankfurter Ober Postamts Zeitung moeten lezen dat hun geliefde broer en zoon overleden was. Het was al eind november 1826 toen de familie eindelijk, via de meerdere van Georg Müller die hem aangemoedigd had in Nederlandse dienst te gaan, de officiële brief, geschreven in februari 1826 in Pontianak, ontving waarin de Nederlandse eerste luitenant Caspari de familie van hun verlies op de hoogte stelde.[8]

De vermelding in de Duitse krant laat zien hoe gebeurtenissen in de Nederlandse kolonie niet enkel als een Nederlandse aangelegenheid werden gezien, maar ook als een die voor andere delen van West-Europa van belang waren. Wat Müllers carrière, gestimuleerd door sociale netwerken die ook grensoverschrijdend waren, en dramatische dood duidelijk maken, is dat kolonialisme een Europese aangelegenheid was: de geschiedenissen van de diverse Europese staten zijn met elkaar en hun koloniën verbonden. Het waren geen op zichzelf staande, gesloten entiteiten, maar dynamische, met elkaar communicerende gebieden en dus geschiedenissen.[9]

Ondertussen liet Müllers onthoofding de Europese gemeenschap in verbijstering en woede achter (dat er samen met hem een grote groep Javanen was vermoord, werd klaarblijkelijk beschouwd als van minder groot belang). De moord werd door veel Europeanen gezien als een impulsieve, barbaarse daad van simpele, maar gevaarlijke wildemannen op een beschaafde, nette witte man. Verschillende Dayaks stelden echter dat Müller de sultan van Kutai door zijn gedrag in toorn had doen ontsteken en dat die de desbetreffende groep Dayaks opdracht had gegeven tot de moord. Het is dus maar de vraag hoe impulsief en plotseling de daad was geweest. Het gebied kreeg onder Europeanen echter al snel de reputatie bevolkt te zijn met levensgevaarlijke, koppensnellende wilden (waarvan deze afbeelding getuigt).[10]

IMG_7666
‘Dajak van Landak’, uit P.J. Veth, Borneo’s wester-afdeeling: geographisch, statistisch, historisch deel 1 (Amsterdam 1854).

Müllers nalatenschap

De opeenvolgende Europeanen die dit weinig door hen gefrequenteerde gebied bezochten, vonden het noodzakelijk Müllers fysieke en materiële resten te redden uit handen van Dayaks. In 1827 bezocht de Engelse natuurwetenschapper John Dalton het gebied waar Müller was omgekomen en bracht een bezoek aan de heersende vorst. Daar zag hij tot zijn verbazing dat door de vorst Müllers kaarten en papieren, sextant, tijdmeter en gouden horloge nog steeds bewaard werden. Dalton kreeg het voor elkaar deze objecten mee te krijgen en ze via de Nederlandse resident van Riau op Sumatra naar de familie in Mainz te sturen.[11] In 1848 trachtte de Duitse dr. Schwaner tevergeefs het hoofd van ‘den ongelukkigen Müller’ te verwerven en toen de Nederlandse arts A.W. Nieuwenhuis (1864-1953) in 1896 en 1897 voltooide wat Müller had willen doen (het dwars doorkruisen van het eiland) ontmoette die een zeer oude man die als jongen Müller nog had ontmoet. Toen deze Bo Adjang Nieuwenhuis toevertrouwde het vuurstenengeweer van Müller te bezitten, kocht Nieuwenhuis dit onmiddellijk.[12]

Het idee dat Müllers bezittingen en hoofd bij het volk dat hem had vermoord verbleven en zelfs werden vereerd, lijkt dus bij veel Europeanen onverteerbaar te zijn geweest. Er was, in hun ogen, een duidelijke grens tussen wat behoorde bij de cultuur van de Dayaks en wat daar niet behoorde. Er was een levensgroot verschil tussen ‘wij’ en ‘zij’ en dergelijke verschillen moesten in koloniale systemen, die dreven op machtsongelijkheid, in stand gehouden worden. Een Europees gesneld hoofd bij Dayaks overschreed die grens, spotte met ideeën over witte superioriteit en (christelijke) beschaving en moest dan ook koste wat het kost vermeden worden.

Het hoofd van de moordenaar van Müller in Europees bezit, kon juist weer wél: een schedel van een Dayak werd in 1881 aan het militair invalidentehuis Bronbeek in Arnhem geschonken als zijnde ‘Tebra, een Daijak (… ) die den beroemden reiziger, majoor Georg Müller (…) heeft vermoord’.[13] Gehangen in de gangen van het tehuis (zie afbeelding), in een context die een overwegend oorlogszuchtige Dayak-cultuur suggereerde, fungeerde het als trofee, als zegeteken van de Europeanen op de moordzuchtige Dayaks.

Hoofd van Tebra in Bronbeek
J.C.J. Smits, Gedenkboek van het Koloniaal-Militair Invalidenhuis Bronbeek (Arnhem 1881) plaat XI.

Op deze manier werden de aan Müller toegeschreven objecten politieke en emotioneel geladen artefacten die alles waar het kolonialisme voor stond symboliseerden: een Europese aangelegenheid, gekenschetst door transnationale geschiedenissen en bemoeienissen, en machtsoverheersing gebaseerd op raciaal-culturele ideeën over beschaving versus primitiviteit, superioriteit versus inferioriteit.

Met dank aan Museum Bronbeek, Arnhem

Noten

[1] NRC, 15 juni1848.

[2] Ernst Müller, Levensberigt van Georg Müller, zaakgelastigde en inspecteur der Nederl. Oost-Indische bezittingen op Borneo enz. door Dr. Ernst Müller, Koninklijk Beijersch Opperhoutvester, lid der Stenden-Vergadering enz. (Leiden 1843) 4-9.

[3] Ulbe Bosma, ‘Het Cultuurstelsel en zijn buitenlandse werknemers: Java tussen oud en nieuw kolonialisme.’ Tijdschrift voor Sociale en Economische Geschiedenis 2, no. 2 (2005) 3-28, aldaar 14.

[4] Nationaal Archief Den Haag, collectie 057 G.J.C. Schneither, nummer toegang 2.21.007.57. Inv.nr. 123. Müller, Aanteekeninge over het eiland Borneo. Brief/verklaring van Müller, Westkust Borneo, landen Sambas, 5 december 1823.

[5] Ibidem, brief /verklaring van Müller, Oostkust Borneo, Kattij [Kutai], 19 augustus 1825.

[6] Ibidem, ongedateerd.

[7] Müller, Levensberigt, 14.

[8] Ibidem, 18-19.

[9] S.J. Potter en J. Saha, ‘Global history, imperial history and connected histories of Empire’, Journal of Colonialism and Colonial History 16 (1).

[10] P.J. Veth, Borneo’s wester-afdeeling: geographisch, statistisch, historisch deel 2 (Amsterdam 1856) 247, 275.

[11] Müller, Levensberigt, 15-16, 15, n.1.

[12] A.W. Nieuwenhuis, Quer durch Borneo: Ergebnisse Seiner Reisen in den Jahren 1894, 1896-97 (Leiden 1904-1907) 281.

[13] Collectie Museum Bronbeek. Objectinformatie bij 1881/05-2-5. Jammer genoeg is de schedel kwijt geraakt.

Een gedachte over “Gesnelde schedels, een geweer en kompas: Georg Müller en een groep Dayaks

  1. DP Tick schreef:

    ijn vrouw is een prinses v Banjarmasin.Met een 2 tal NL journlaisten proberen we nu in NL de plek te vinden,waar hoofd vd onafhankelijkheids strijder Demang Lehman werd geplaatst om naar Indonesie terug te brengen. Donald Tick Facebook

    Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s