De ‘andere’ stem? Recensie ‘Depok: de droom van Cornelis Chastelein’, Westfries Museum Hoorn – nog tot en met 6 oktober 2019

Afgelopen zaterdag 29 juni opende de tentoonstelling ‘Depok: de droom van Cornelis Chastelein’ in het Westfries Museum in Hoorn. Deze tentoonstelling is onderdeel van het nieuwe beleid van het museum om de geschiedenis vanuit meer perspectieven te belichten en meerstemmigheid als leidraad te nemen. In deze tentoonstelling is wel degelijk een ander dan enkel een Europese stem te horen, maar die stem klinkt nog wel heel zacht en voorzichtig…

Als klein meisje bezocht ik al dit museum, gevestigd in een statig zeventiende-eeuws pand op een plein dat de tot de verbeelding sprekende naam ‘Roode Steen’ draagt. Ik was toen onder de indruk van de gigantische schuttersstukken vol voorname Hoornse burgers uit het verleden en de stijlkamers met krakende houten vloeren waar uit scheepskisten de geur van nootmuskaat en kruidnagel opsteeg. Het was een, zoals ze tegenwoordig zeggen, een ‘totaal ervaring’.

De nu in dat museum geopende tentoonstelling ‘Depok: de droom van Cornelis Chastelein’ besteedt voor het eerst waardig aandacht aan een tamelijk vergeten geschiedenis, namelijk die van voormalig VOC-dienaar Chastelein (1657-1714) die zijn landgoed met specifieke instructies na liet aan zijn tot slaafgemaakten. Dit zou de start vormen van een bijzondere Indische gemeenschap die tot op de dag van vandaag bestaat en Chastelein een heldenstatus toedicht. Fotograaf Geert Snoeijer en historicus en antropoloog Nonja Peters hebben deze mensen met hun grondige onderzoek en prachtige portretten letterlijk en figuurlijk een stem en gezicht gegeven. Hoe belangrijk dat gevonden wordt, werd maar al te zeer duidelijk tijdens de emotionele toespraak van Henny Isakh, een ‘Depokker’, op de openingsmiddag.

Om van deze complexe geschiedenis een tentoonstelling te maken, met zoveel belanghebbenden en hun emoties, is een hele uitdaging. Een uitdaging die enkel groter wordt in een tijd waarin de roep om een kritische verhouding tot het koloniale verleden, en de manier waarop die nog steeds doorwerkt in het denken en handelen van de Nederlandse samenleving, steeds luider klinkt. Het wordt zeker niet simpeler als je als het Westfries Museum een museum bent dat zich richt op de Gouden Eeuw, een periode die over het algemeen gezien wordt als Nederlands probleemloze glorietijd en die de enthousiaste city marketeers van Hoorn enthousiast, mét gebruik van het VOC-embleem, ijverig inzetten om bezoekers te trekken. Terwijl de banners met dat embleem en de slogan ‘Stad van de Gouden Eeuw’ door de hele stad wapperen, staat ook het beeld van gouverneur-generaal J.P. Coen (1587-1629) nog steeds letterlijk voor de deur van het museum. Dit geheel van omstandigheden, met tastbare sporen naar de op genocide, geweld en machtsmisbruik gebaseerde rijkdom van de Gouden Eeuw, maakt van het museum en zijn collectie een beladen plek. Tentoonstellingen zullen hier dan ook altijd extra gevoelig liggen.

De tentoonstelling

Dat er tussen de samenstellers van de expositie intense discussies zijn gevoerd en erkend wordt dat het een complexe geschiedenis betreft, zie je meteen in de tentoonstellingsteksten. Uitgebreid moet worden verhaald over complexe zaken Chasteleins ideeën en zaken als slavernij en de VOC-stad Batavia. Hierdoor zijn de dragende teksten, de hoofdlijn, eigenlijk veel te lang en is het gevaar dat de gemiddelde bezoeker niets zal lezen en enkel af zal gaan op de prachtige portretten en korte citaten op de muur.

IMG_20190629_170852_resized_20190708_052805179
De tentoonstellingsteksten en de overwegend ‘platte’ tentoongestelde objecten.

Ook in de taal die gebruikt wordt in de teksten is terug te zien dat de makers zich bewust kritisch proberen te verhouden tot het beladen koloniale verleden en zich rekenschap proberen te geven van de huidige discussies over onder meer slavernij. Zo wordt er gesproken over ‘tot slaafgemaakten’ in plaats van ‘slaven’.

Het dekoloniseren van musea, waaronder we deze pogingen ontmenselijkt en onderdrukkend taalgebruik te ontmantelen mogen scharen, is niet zomaar gebeurd. Het kost tijd en geduld voordat musea daadwerkelijk loskomen van hun eurocentrische wereldbeeld en koloniale narratieven en vervolgens waarde zullen gaan hechten aan de ‘andere’, altijd onderdrukte, stemmen.

En dat dat tijd kost, laat deze tentoonstelling haarfijn zien. Zo zien we dat in Hoorn weliswaar wordt gesproken over ‘tot slaafgemaakten’, maar dat de lokale bevolking wel ‘inlanders’ wordt genoemd. Een term die weliswaar een juridische connotatie heeft, maar toch vooral sociaal-cultureel wordt ingevuld en een sterke, denigrerende, lading heeft. Er wordt tevens gesproken over ‘Balinese krijgers’ – zou iemand ooit een Hollander uit het Staatse leger ‘krijger’ noemen? Tegenwerpingen als dat alternatieven als ‘soldaat’ niet mogelijk zouden zijn, omdat dat een rang betreft en het begrip ‘militair’ enkel gebruikt kan worden voor personen die in dienst zijn van krijgsmachten van natiestaten, laten vooral zien dat je als Europeaan de Balinese vorstendommen (nog steeds) niet als volwaardige en gelijkwaardige naties erkent – een koloniale, eurocentrische denkwijze. Ook de term ‘Mohammedaan’ duikt op in de expositie. Dit is een sterk verouderde, niet correcte term: moslims vereren niet Mohammed, maar enkel God.

Koloniaal hiërarchisch denken zien we tevens terug in het perspectief van de tentoonstelling. Die ligt, zeker voor de historische periode, vooral bij de Europeanen. Er wordt zelfs gesproken over ‘niet-Europeanen’ – alsof Europeanen altijd het uitgangspunt zijn en alles wat daar niet aan beantwoordt de rest is. Een vergelijkbare manier van denken is terug te zien in de wijze waarop in de tentoonstelling wel alle Europeanen bij hun volledige naam worden genoemd (zoals Chastelein en zijn zoon Anthony), terwijl de families van Depok in de begeleidende teksten bij vooral hun familienaam worden aangesproken en de Indonesische bevolking onbenoemd onderaan bungelt als een rest categorie.

Eufemistisch taalgebruik is ook te vinden in de expositie. Zo wordt bijvoorbeeld verhaald over Chasteleins discriminerende houding ten aanzien van koloniale bevolkingsgroepen als Javanen waarna er door de tentoonstellingsmakers onmiddellijk aan toegevoegd wordt – en het lijkt haast wel een geruststelling naar de gemeenschap Depokkers toe die Chastelein tot op de dag van vandaag op een voetstuk plaatst – dat in dit opzicht Chastelein een ‘kind van zijn tijd’ was. Dergelijk eufemistisch taalgebruik dekt de structurele discriminatie, die aan basis stond van de grote koloniale machtsongelijkheid, met de mantel der liefde toe. Door het machtsmisbruik, het racisme en de discriminatie die inherent zijn aan dit verleden niet open en bloot, in al zijn lelijkheid en afschuwelijkheid, voor het voetlicht te brengen, blijft de museumbezoeker onbewust van de ernst van de schaal en intensiteit van de discriminatie en ongelijkheid in de Nederlandse koloniale samenlevingen.

Je laat daarbij ook, zoals onderzoekster Stephanie Welvaart in haar reflectie op het museum afgelopen donderdag 4 juli stelde, mogelijkheden om andere perspectieven te tonen liggen: want waarom wordt Chastelein, als slavenhouder met racistische en paternalistische denkbeelden, eigenlijk, tot op de dag van vandaag, door de gemeenschap vereerd? Wat zegt dat over de kolonie, over koloniaal denken, de relatie met Nederland en deze gemeenschap?

Musea en hun rol in de samenleving

Musea zijn nooit, ondanks enthousiaste pogingen tot ‘verpretparkisering’ van musea (óók van het Westfries Museum met zijn nieuwe virtual realityshow over Batavia in 1672), slechts een vermakelijk uitje. Mensen komen om er wat te leren en kennen aan musea grote autoriteit toe: wat daar wordt verteld, moet ook wel waar zijn. Musea hebben daarom een belangrijke taak in de samenleving: zij kunnen mensen de ogen openen, insluiten in het vertelde verhaal, maar ook buitensluiten.

Door als musea koloniale, eurocentrische en wit-suprematistische denkbeelden en perspectieven onbewust te blijven herhalen, draag je bij aan de continuering van sociale ongelijkheid en vervreemding van sommige groepen Nederlanders van musea en de vertelde geschiedenis. Deze opvattingen zitten in tentoonstellingen verborgen in taal (een moslim zal zich niet herkennen en beledigd voelen bij de kwalificatie ‘Mohammedaan’), ontwerp (waarom gebruiken instellingen, ook in Hoorn, altijd bamboe of varens om de koloniën als primitieve jungles te representeren?) en in het narratief (zoals het perspectief waaruit het verhaal wordt verteld en de stemmen die gehoord worden). Dit gebeurt, daar ben ik van overtuigd, niet altijd bewust. Het ontstaat als men het eigen perspectief vanzelfsprekend vindt.

Wees je als museum dan ook bewust van je eigen ‘bias’ – een woord waarvoor in het Nederlands nooit echt een mooie vertaling is gekomen, maar gaat over onze cultureel bepaalde vooronderstellingen of vooringenomenheden. Maak je los van je eigen Eurocentrische perspectief en luister naar ieders ervaringen van het koloniaal verleden. Bedenk hoe je het verleden wil benoemen, vanuit welk perspectief, welke barrières je wilt slechten en welke stemmen gehoord moeten worden. Wees je, in het geval van het Westfries Museum, bewust, dat je, met je collectie, je pand en het standbeeld voor je deur, de Gouden Eeuw vertegenwoordigt – een periode waarin de welvaart van de Republiek gebaseerd was op ongekend geweld en onderdrukking waarvan de genocide op het Molukse eiland Banda en de slavenhandel wel de belangrijkste voorbeelden zijn. Sluit je aan bij de academische oproep, zoals die in een recent nummer van de BMGN – Low Countries Historical Review werd gehoord, de VOC te dekoloniseren.

Als je dat doet, neem je een stap in de richting van een ‘gedekoloniseerd’ verhaal. Over twee jaar, in 2021, is het 400 jaar geleden dat Coen, de man die nog steeds zo parmantig op zijn sokkel voor de deur van het Westfries Museum staat, zo’n 96% van de bevolking op Banda ombracht. Hopelijk grijpt het Hoornse museum deze kans en lardeert het de prachtige portretten van Coen en zijn vrouw Eva Menten, waarover ik mij als klein meisje zo verwonderde, met schilderijen die het Bandanese perspectief expliciet verkondigen en laat het museum zo de uitgesproken geuren van nootmuskaat en kruidnagel ons niet wegdromen naar een in de tijd verstild tropisch eiland in de ban van koloniale nostalgie, maar laat het die een verhaal vertellen over genocide, slavernij en machtsmisbruik. Dan klinkt de ‘andere’ stem luid en duidelijk. En dat is nodig, want het Europese perspectief heeft mijns inziens de representatie van de geschiedenis nu wel lang genoeg in zijn greep gehouden.

3 gedachtes over “De ‘andere’ stem? Recensie ‘Depok: de droom van Cornelis Chastelein’, Westfries Museum Hoorn – nog tot en met 6 oktober 2019

  1. S F schreef:

    Gezien ‘van hoever’ het Westfries en andere musea moeten komen, kan ik niet negatief zijn over hun ‘eerste poging’ met de Depok-tentoonstelling. En tegelijkertijd schiet ik vol in de krampen als termen als Mohammedaan en inlander nog steeds worden gebruikt…
    Een rondleiding (podcast?) over hoe de bezoeker ook hier nog steeds verborgen koloniaal wordt rondgeleid, zou niet misstaan.

    Like

  2. Caroline Drieënhuizen schreef:

    Beste S F, dank voor je reactie! Jazeker, ze komen van ver! Dat klopt. Daarom schrijf ik ook dat dit soort processen tijd en geduld vergen. Ik vind je idee van een audiotour of podcast een mooi idee. Ze hebben al een soort audiotour met QR-codes dus dat zou een mooie tweede tour kunnen zijn. Wie wil? 🙂

    Like

  3. André Paijmans schreef:

    Beste Caroline,
    Met veel belangstelling je blog gelezen. Ik onderschrijf je oproep aan musea van harte. Tegelijk met het verschijn van je tentoonstellingsrecensie, las ik in De Groene Amsterdammer van 4 juli jl. een artikel van Niels Mathijssen over (het huidige wetenschappelijk onderzoek naar) het Nederlandse slavernijverleden. Hierin verwijst hij naar een project ‘Mapping Slavery’ van cultuurhistoricus Nancy Jouwe. In het kader van dit project geeft zij papieren en digitale gidsen uit met wandelingen door steden als Amsterdam, Utrecht en Middelburg. In deze wandelingen wordt het slavernijverleden ‘tastbaar’ gemaakt. Ik begrijp uit het artikel dat Nancy Jouwe promotie-onderzoek doet naar de visuele representatie van het slavernijverleden. Wellicht kan haar project een bron van inspiratie zijn voor musea om van een kleine stap naar een een wat grotere te gaan.

    Hartelijke groet,
    André Paijmans

    Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s