Alkmaar, de koloniën en slavernij

Introductie

Ruim tien jaar geleden alweer fietste ik langs de Commewijne rivier in Suriname en kwam ik langs de voormalige plantage Alkmaar, vernoemd naar de Hollandse geboortestad van de stichter van de plantage, landmeter Jacob Hengeveld (1696-1746). Het was slechts één van de vele plantages die Suriname kende, maar het trok mijn aandacht. Alkmaar was immers de ‘Grote Stad’ uit mijn jeugd.

De afgelopen jaren verschijnt het één na het andere boek over het Nederlands slavernijverleden en de rol die steden hierin speelden. Daaruit blijkt dat niet alleen steden zoals Amsterdam (zie De slavernij in Oost en West. Het Amsterdam onderzoek), Rotterdam (zie Het koloniale verleden van Rotterdam) of Hoorn en Enkhuizen (zie Gids Slavernijverleden), plaatsen met een directe relatie met de Verenigde Oost-Indische Compagnie en de West-Indische Compagnie, daarin verwikkeld waren, maar dat ook dat steden die geen zitting hadden in een VOC- of WIC-kamer voordeel haalden uit het koloniale verleden en dus ook uit arbeid door tot slaafgemaakten. Het in juni 2021 verschenen boek over Utrecht en slavernij maakt dat nog maar eens pijnlijk duidelijk.

Alkmaar en haar burgers

Zoals de vernoeming van de Surinaamse plantage Alkmaar aan de Commewijnerivier al suggereert, blijkt de betrokkenheid van Nederlandse steden met slavernij zich niet beperkt te hebben tot grote(re) plaatsen. Ook provinciestadjes als Alkmaar waren met hun kleine bevolkingsaantallen (rond 1660 telde het ongeveer 15.000 inwoners tegen ruim 30.000 in Utrecht in diezelfde periode[1]) nauw betrokken bij de overzeese handel en slavernij.

J.G. Stedman, Voyage á Surinam et dans l’intérieur de la Guiane (1798). Collectie Nationaal Museum van Wereldculturen, inv.nr. TM-3728-544b-8.

Alkmaar had via de invloedrijkste vroegmoderne familie van de stad, de familie Van Foreest, een directe relatie met zowel de West-Indische als Oost-Indische Compagnie. De familie Van Foreest, met naaste familieleden wonende in zowel Alkmaar als Hoorn, leverde generatieslang bewindhebbers voor zowel de West-Indische als Oost-Indische Compagnie. Eén van de eersten met dit ambt was de in Alkmaar geboren Jan van Foreest (1586-1651). Jan vervulde gedurende zijn leven diverse functies, waaronder die van burgemeester van Hoorn en bewindhebber van de WIC.[2]

Jan van Foreest was niet de enige. Alkmaar leverde gedurende de vroegmoderne tijd meer bewindhebbers voor beide compagnieën, zoals bijvoorbeeld burgemeester Floris van Teijlingen (1577-1624). In 1623 nam Van Teijlingen als bewindhebber van de WIC deel aan een commissie die tot taak had de mogelijkheden van slavenhandel in Angola te onderzoeken.[3] Hij was daarmee niet alleen financieel indirect betrokken bij slavenhandel en koloniale winsten door middel van aandelen, maar ook direct. Zijn echtgenote Leonora Vivien profiteerde gedurende haar hele leven van de overzeese winsten: vierendertig jaar na Floris’ dood was zij vermoedelijk via zijn aandelen en die uit haar eigen moedersfamilie De Malepert grootaandeelhouder van de VOC.[4] Eén van Alkmaars burgers bereikte zelfs het hoogste VOC-ambt in Azië, namelijk dat van gouverneur-generaal. Cornelis van der Lijn (ca. 1608-1679) was een korte periode, tussen 1646 tot 1650, gouverneur-generaal en onderdrukte hardhandig protesten in de Molukken. Bij terugkomst in Alkmaar werd hij burgemeester van zijn geboortestad.[5]

Ook de dorpen rondom Alkmaar leverden personeel voor beide compagnieën. Zo maakte Dirck Dircks Wilre (1636-1674) uit Graft in dienst van de WIC een razendsnelle carrière in fort Elmina in het huidige Ghana. Als directeur-generaal  was hij verantwoordelijk voor de Nederlandse slavenhandel vanuit Afrika. In die hoedanigheid liet Wilre zich vereeuwigen op een schilderij waarin een zwarte man (of vrouw?) onderdanig voor Wilre neerknielt, een schilderij vasthoudend.[6]

Pieter de Wit, Directeur-generaal van de Goudkust Dirk Wilre in het kasteel van Elmina, 1669. Olieverf op doek, 103,2×141,4cm. The Mari-Cha Collection Limited, Hongkong. Inv.nr. MCCL#887.

De beroemdste Alkmaarse poorter die naar Azië was getrokken, was op dat moment al Frederick de Houtman (ca. 1570-1627). Hij had in 1595 zijn broer Cornelis (1565-1599) vergezeld op de eerste Nederlandse overtocht naar Indië. Frederick keerde verschillende malen terug naar Alkmaar om vervolgens weer af te reizen naar Azië: tijdens zijn laatste verblijf overzee was hij betrokken bij de massamoord door J.P. Coen in de Banda-archipel en de aanvoer van tot slaafgemaakten voor arbeid op de perken.[7] 

Eén van de meest tot de verbeelding sprekende Alkmaarse regenten die financieel en sociaal sterk profiteerde van een overzeese carrière en zich daarmee publiekelijk profileerde, was Wollebrand Geleynsz de Jongh (1594-1674). [8] De in Alkmaar geboren De Jongh kwam als wees in dienst bij de VOC en maakte in Azië en het Midden-Oosten een indrukwekkende carrière.[9] Als handelsdirecteur in Perzië (het huidige Iran) en commandeur van de VOC-retourvloot liet hij zich afbeelden op een imposant schilderij waarbij twee zwarte mensen fungeren als statussymbool. Eén zwarte man op blote voeten houdt een payung, een parasol die een teken van macht was, boven De Jonghs hoofd. Hij was blootsvoets: het was slaven verboden schoeisel te gebruiken. Het zwarte jongetje naast hem, half ontbloot en ook op blote voeten, houdt een mantel, hoed en een zwaard vast en kijkt de beschouwer aan. Hoewel er individuele trekken te herkennen zijn bij beide personen, zijn ze ook nogal stereotiep weergegeven. Zo zijn hun lippen te rood aangezet.

In deze periode (1630-1670) werden zwarte mensen populair in de Nederlandse schilderkunst.[10] Dit valt samen met de hoogtijdagen van de Nederlandse slavenhandel en beïnvloedde de toenemende stereotyperende, racistische presentatie en betekenis van zwarte mensen op schilderijen.[11] Had de Alkmaarse schilder Cesar van Everdingen (1616/1617-1678) de twee mannen in het echt gezien? Had De Jongh hen meegenomen van zijn reizen en waren het voormalige tot slaafgemaakten? Of zijn deze mensen enkel verbeelde types? Dit najaar (2021) verschijnt een boek over Geleynsz de Jongh door Hans van Santen en het zou geweldig zijn als dat meer licht zou kunnen werpen op deze tot nog toe onbekend gebleven personen op het schilderij.

C. van Everdingen, Portret van Wollebrand Geleynsz de Jongh, 1674. Olieverf op doek, 231,0×203,5cm. Collectie Stedelijk Museum Alkmaar.

Het werk van De Jongh was voor het Alkmaarse burgerweeshuis bedoeld en hing daar tot 1811. Generaties bestuurders en kinderen werden zo niet alleen geconfronteerd met Alkmaars succesvolste wees, maar ook met het Nederlands koloniale verleden, inclusief slavernij. Een explicietere verwijzing naar Alkmaars koloniale verleden is haast niet vinden.

De koloniale stad

Als De Jonghs twee bediendes werkelijk in Alkmaar leefden, dan waren zij in deze periode, de late jaren 1660, niet de enige mensen van kleur in de kleine stad. Paul Post heeft recentelijk ontdekt dat ook de Europees-Aziatische kinderen van de Alkmaarse Hendrik Indij(c)k (ca.1615-?) en de Burmese Cao Sut (‘Oesoet’ genoemd) daar rondliepen. Hendrik was in dienst van de WIC eerst naar Brazilië vertrokken om later met de VOC naar Azië te vertrekken. Cao Sut (?-1658) voorzag Hendrik en zijn voorgangers in het Thaise Ayutthaya van belangrijke zakelijke relaties. De mannen onderhielden tevens een seksuele relatie met haar: Hendriks kinderen waren een van de vele kinderen die Cao Sut kreeg met Europeanen.[12]

De Jongh schonk het Alkmaarse burgerweeshuis een groot deel van zijn overzees verworven kapitaal. Op meer manieren profiteerde de stedelijke samenleving van het door haar burgers in Azië en Amerika verkregen geld. Het nog steeds bestaande Provenhuis Bijlevelt aan de Koningsweg 83 was bij testament in 1657 gesticht door Geertuyd Willemsdr., de weduwe van Pieter Bijlevelt. Het echtpaar was in 1626 samen in dienst van de WIC één van de eerste kolonisten van Nieuw Nederland, aan de oostkust van de Verenigde Staten, geweest. Op boerderijen zoals die van hun werden tot slaafgemaakten gebruikt als arbeiders.[13] Later, toen Pieter Bijlevelt in dienst van de VOC naar Java vertrok, verdiende hij een fortuin dat Geertruyd in Alkmaar gebruikte om het hofje te stichten.

Ook het nog steeds bestaande Wildemanshofje en Huis van Achten kennen een dergelijke geschiedenis. Het Wildemanshofje werd gesticht door Gerrit Florisz Wildeman (1627-1702), reder en groothandelaar in koloniale waren. Het hofje het Huis van Achten kon ook gesticht worden met dank aan koloniale baten: de jong overleden stichter Johan van Nordingen jr. (1625/1626-1656) had kort voor zijn dood een aantal grote vermogens geërfd, waaronder dat van zijn vader en van zijn eerder gestorven vrouw Marie van Steenhuijsen (ca. 1621-1648). Haar fortuin kwam ook deels uit de koloniën: zij was de dochter geweest van een Amsterdamse koopman en VOC-dienaar en was bovendien de kleindochter van één van de eerste VOC-bewindhebbers in Enkhuizen.[14] Weldoen in het moederland werd gefinancierd door uitbuiting overzee.

J. Elsinga, Provenhuis Van Nordingen. Collectie Regionaal Archief Alkmaar. RAA011004499.

Tot slot

Terwijl in Suriname tot in de negentiende eeuw tot slaafgemaakten op de plantage Alkmaar ontdaan werden van hun eigen persoonlijkheid door het verlies van hun eigen naam en de naam ‘Alkmaar’ kregen, waren Suriname, Nieuw-Nederland en de Nederlandse bezittingen in Azië nooit ver weg geweest in vroegmodern Alkmaar. De opbrengsten uit deze gebieden, voor een groot deel over de rug van tot slaafgemaakte mensen en bewoners van de overzeese Nederlandse handelsposten, maakten de rijkdom van de stad in de zeventiende eeuw mogelijk. Het bepaalde ook deels het aanzicht van de stad door de mensen die er rond liepen en de stichting van de vele hofjes, voor een aanzienlijk deel bekostigd uit overzees kapitaal.

De verbondenheid met het koloniale en ook slavernijverleden blijkt dus niet alleen te gelden voor steden als Hoorn of Amsterdam, met eigen VOC- en WIC-kamers en directe overzeese handelsrelaties, of voor grotere steden als Utrecht. Ook kleinere provinciestadjes als Alkmaar waren sterk geworteld in de Nederlandse, vroegmoderne, koloniale economie en profiteerden er van. Misschien is het tijd ook dit deel van het verhaal – en dat hier enkel inventariserend en schetsmatig is weergegeven[15] – onderdeel te laten worden van de Canon van Alkmaar?

Noten


[1] Jan de Vries en Ad van der Woude, Nederland 1500-1815. Eerste ronde van moderne economische groei (Amsterdam 1995) 88; Arjan van Dixhoorn, Lustige geesten: rederijkers in de Noordelijke Nederlanden (1480-1650) (Amsterdam 2009) 44;

[2] https://www.hogenda.nl/wp-content/plugins/hogenda-search/download_attachment.php?id=900&type=biography (geraadpleegd 18 augustus 2021).

[3] http://tacotichelaar.nl/wordpress/nl/asiento-de-negros/ (geraadpleegd 18 augustus 2021).

[4] De Navorscher 1915, 384, 387 en 388.

[5] C.W. Bruinvis, Nieuw Nederlands Biografisch Woordenboek II (Leiden 1912), 858-859.

[6] W.H.V., ‘Dirck Wilre in Elmina’, Bulletin van het Rijksmuseum 27, nr. 1 (1979) 7-12; Franz Binder en Norbert Schneeloch, ‘Dirck Dircksz. Wilre en Willem Godschalk van Focquenborch(?), geschilderd door Pieter de Wit te Elmina in 1669’, Bulletin van het Rijksmuseum 27, nr. 1 (1979) 13-29.

[7] Zie onder meer: https://stedelijkmuseumalkmaar.nl/nu-te-zien/archief/de-houtman-best-fout-man (geraadpleegd 23 augustus 2021).

[8] https://www.maandvandegeschiedenis.nl/page/18775/portret-van-wollebrand-geleynsz-de-jongh-gallery-talks; https://www.atlasofmutualheritage.nl/nl/Wollebrand-Geleynssen-Jongh-retourvloot.4821 (geraadpleegd 18 augustus 2021).

[9] H.W. van Santen, VOC-dienaar in India. Geleynssen de Jongh in het land van de Groot-Mogol (Franeker 2001).

[10] Elmer Kolfin, ‘Zwart in de kunst van Rembrandts tijd’, in: Elmer Kolfin en Epco Runia red., Zwart in Rembrandts tijd (Zwolle 2020) 12-43.

[11] Ibidem, 37.

[12] Han ten Brummelhuis en John Kleinen, A Dutch picnic in Ayutthaya, 1636. Amsterdam Asia Studies 52 (Amsterdam 1982) 7, n.8.

[13] Dienke Hondius, Nancy Jouwe, Dineke Stam, Jennifer Tosch, Dutch New York histories. Connecting African, Native American and Slavery Heritage (Volendam 2017); https://decorrespondent.nl/8131/hoe-nederland-in-de-staat-new-york-oefende-met-slavernij/3258733016363-a2f92605 (geraadpleegd 18 augustus 2021).

[14] http://www.huisvanachten.nl/geschiedenis.html (geraadpleegd 18 augustus 2021); De wapenheraut: maandblad gewijd aan geschiedenis, geslacht-, wapen-, oudheidkunde enz. I (1896) 123.

[15] Het zou interessant zijn de verbondenheid van Alkmaarse burgers met de koloniën en de rol van slavernij hierin tussen, bijvoorbeeld, 1600 en 1900 veel grondiger uit te zoeken en in beeld te brengen. Wat ik hier gedaan heb ik slechts een vluchtige, schetsmatige impressie geven van hetgeen reeds bekend is.

2 gedachtes over “Alkmaar, de koloniën en slavernij

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s