Revolusi! Ervaringen en emoties zonder historische context

De tentoonstelling ‘Revolusi!’ in het Rijksmuseum begint visueel overweldigend. In de tweede tentoonstellingszaal worden kleine zwart-wit studiofotootjes worden indrukwekkend metershoog uitvergroot: het zijn voornamelijk jonge, knappe Indonesische jongens in verschillende poses. Hun leeftijd valt op. Achttien jaar, misschien twintig. Jonge mannen. Strijdend voor vrijheid. Het maakt onmiddellijk duidelijk dat hier niet vanuit een Nederlands militair gezichtspunt op de Indonesische revolutie van 1945-1950 wordt gekeken. De Indonesische titel versterkt die indruk: de blik verschuift naar een veelvormig perspectief op deze oorlog.

De ervaring centraal

De tentoonstelling gaat over de ervaringen van mensen tijdens de Indonesische revolutie van 1945-1949. Daarmee zet het museum een lijn voort die het al had ingezet met de ‘Slavernij’-tentoonstelling van vorig jaar (februari-augustus 2021): het zet mensen en hun levens centraal om een groter verhaal te vertellen. Het appelleert aan de verbeelding en inleving van bezoekers, terwijl inhoudelijke kennis naar het tweede plan wordt verbannen. De zalen zijn thematisch, slechts bij benadering chronologisch, ingedeeld en de overkoepelende zaalteksten zijn zo summier dat ze verder geen houvast bieden.

De tentoonstelling slaagt door het veelvuldig gebruik van opgeblazen historische foto’s en geprojecteerde (kleuren!) films goed in het opwekken van emoties: de geschiedenis komt zo wel heel dichtbij de bezoekers. De tentoonstelling is er in geslaagd met verschillende soorten objecten de aandacht van de beschouwer vast te houden: de fantastische schilderijen van kunstenaars als Hendra Gunawan (1918-1983) en Affandi (1907-1990) zullen voor veel Nederlandse bezoekers van de tentoonstelling een verrassende, Indonesische reflectie op de oorlog zijn. De Indonesische, niets aan duidelijkheid te wensen overlatende, propagandaposters boeien. De in de tentoonstelling centraal staande verhalen van personen en hun persoonlijke objecten uit de oorlog, een jurk gemaakt van militaire zijden landkaarten, een met kogels doorschoten kakikleurig vest en islamitisch amulet-hesje, zijn meeslepend en tragisch. De zwart-witte foto’s van Henri Cartier-Bresson (1908-2004), geschoten in de laatste maanden van de oorlog, zijn geniaal in hun composities. Imponerend is de installatie van Timoteus Anggawan Kusno (1989) (‘Luka dan bisa kubawa berlari’ / ‘Wonden en gif voer ik mee op mijn vlucht’), die expliciet de relatie aangaat met de koloniale collectie van het Rijksmuseum (de portretten van de gouverneur-generaals, de tijdens militaire oorlogen veroverden Indonesische vlaggen).

Een veelvormig perspectief

In de tentoonstelling is gekozen voor een caleidoscopisch perspectief op de oorlog: de Moluks-Nederlandse beleving van de strijd komt aan bod, evenals het Indische, Chinees-Indonesische, Indonesische en Nederlandse militaire (via Joop Hueting, wellicht niet helemaal representatief voor de grotere groep Nederlandse Indië-veteranen, en middels de vrouw van de Friese soldaat Bruinsma). Omdat gekeken wordt door de ogen van de in Nederland achterblijvende vrouwen als Janke Bruinsma en door aandacht te besteden aan de Indische Tanja Dezentjé, die voor Indonesië in de oorlog bemiddelde, wordt er ook aandacht besteed aan de rol van vrouwen in deze geschiedenis.

Hoe divers deze invalshoeken ook zijn (en zij daarmee veel betrokkenen potentieel kunnen aanspreken), en hoe vernieuwend zij ook zijn in de Nederlandse verbeelding van de Indonesische revolutie, toch blijkt ook weer hoe elke keuze zijn beperkingen heeft. Want wat onmiddellijk opvalt, is namelijk de toch tamelijk uniforme representatie van de positie van de Indonesische bevolking in de oorlog. De complexiteit van de oorlog en de uiteenlopende posities van Indonesiërs binnen die oorlog, komen, behalve in de persoon van Tjokorda Rai Pudak (ca. 1902-1946), niet duidelijk naar voren. De algehele indruk die wordt gewekt, is toch die van één verenigd blok, in plaats van elkaar bestrijdende groepen.

Timoteus Anggawan Kusno (1989), ‘Luka dan bisa kubawa berlari’ / ‘Wonden en gif voer ik mee op mijn vlucht’

De balans opmakend

De nadruk op emoties en inleving in de hele tentoonstelling gaat ook ten koste van de historische context. De bezoeker wordt geconfronteerd met termen die enkel de meest ingelezen bezoekers iets zeggen: Renville, ‘Linggadjati’, Malino,… De thematische zalen (‘Gezichten van de Revolusi’, ‘rood-wit’, ‘informatiegeweld’, ‘oorlog en diplomatie’ etc.) geven geen houvast. Hierdoor werken de verschillende perspectieven ook niet, hoe verfrissend ook, omdat bezoekers niet weten hoe die zich tot de grotere geschiedenis kunnen verhouden. De tentoonstelling wordt hierdoor gereduceerd tot geïsoleerde fragmenten, verweesde blikken op een complex en gewelddadig verleden en dat is jammer.

Hendra Gunawan, Pengantin Revolusi, 1957. Olieverf op doek. Collectie Museum Seni Rupa dan Keramik, Jakarta, Indonesië.

Ook opmerkelijk is, is dat het Nederlandse geweld, in tegenstelling tot het Indonesische tijdens de eerste jaren van de revolutie (de zo gewraakte term ‘bersiap’ die inderdaad gewoon terugkomt in de zaaltekst), nergens anders dan in de filmbeelden expliciet aan de orde komt. In de zo omstreden zaaltekst over de bersiap komt deze inmiddels traditionele Nederlandse invalshoek op de Indonesische revolutie eveneens naar voren. In de tekst wordt namelijk gesproken over ‘(Indo-) Europese, Chinese en Molukse burgers (…) [en] ook Indonesiërs’ die slachtoffer worden van Indonesische militante groepen – ongetwijfeld onbedoeld een hiërarchie van aangedaan leed aanbrengend.

Tot slot heeft de tentoonstelling het gesprek over de teruggave van de in beslag genomen Indonesische persoonlijke papieren en foto’s weer op gang gebracht. Een gesprek dat al vaker, vruchteloos, is gevoerd (ook in dit blog). Het is een gemiste kans dat de tentoonstelling zelf niets doet met dat gegeven. De verschillende, met potlood geschreven, cijfers boven portretten van lachende jonge mannen, de (helaas!) lege persoonsdossiers van de door de Nederlandse inlichtingendienst in de gaten gehouden wordende Indonesiërs, de verfrommelde, maar in boodschap niets aan duidelijkheid te wensen overlatende, pamfletten tegen de Nederlandse militaire aanwezigheid en de koran die nota bene Nederlands meest gewetensvolle veteraan Joop Hueting (1927-2018) vermoedelijk uit een huis in een kampong meenam – het zijn allemaal zichtbare verwijzingen naar de Nederlandse manier van oorlogsvoering en de onvoldoende maatschappelijke verwerking daarvan: weggestopt in een archief zonder een gevoelde noodzaak tot teruggave van persoonlijke eigendommen. Het zou actueel en passend geweest zijn daarop in de tentoonstelling te reflecteren.

Ondanks deze tekortkomingen is de tentoonstelling, met zijn aandacht op met name de Indonesische, Indische, Chinees-Indonesische en Molukse beleving van de geschiedenis en zijn aandacht voor de rol van vrouwen in de oorlog, vernieuwend en verlaat het daarmee het oude Nederlandse veteranenperspectief dat zo lang deze geschiedenis in Nederland beheerste.

De tentoonstelling ‘Revolusi!’ is nog tot en met 5 juni 2022 te bezichtigen.

2 gedachtes over “Revolusi! Ervaringen en emoties zonder historische context

  1. laniratulangi schreef:

    Nog steeds dekolonisatie aan het verwerken? Kom, kom, kom….. voorbij is voorbij….. een nieuwe tijd is aangebroken voor ons Indonesiers is een tijd voller hoop echter hopelijk zonder te veel beproevingen en voor Nederland een rustige welvaarts periode.

    Like

  2. Peter van den broek schreef:

    Om één en ander in een historisch kader te plaatsen, mogen feitelijke cijfers over de vnl Indo-Europese en Ambonese slachtoffers in de Bersiap oktober 1945 maart 1946 niet omvermeld gelaten
    Neem nou in de tentoonstelling Revolusi het verhaal over mevr. Uhlenbusch. De tentoonstellingsmakers laten onvermeld dat op 11 oktober 1945 zij met 13 anderen vermoord en op een erebegraafplaats in Indonesie in een verzamelgraf Balapoelang bij Tegal werd begraven, Onder de slachtoffers bevonden zich 7 kinderen van de familie Wijk, varierend in de leeftijd van 2 tot 20 jaar. Ook een Ambonese familie bestaande uit 3 personen werd toen samen met haar vermoord, maar niet geidentificeerd,

    Een graf met de naam Verzamelgraf Proepoek bij Tegal vermeldt dat op 12 oktober 1945 6 leden van de familie Swab werden vermoord varierend in de leeftijd van 3 tot 70 jaar.

    Deze gebeurtenis staat niet op zichzelf. In het regentschap Tegal e.o. waren talloze Suikerfabrieken met een hechte (Indo-)Europese gemeenschap van werknemers gevestigd,. Tussen 11 en 18 oktober 1945 werden in de suikerfabrieken Bandjaratma Danawarih Pangka tientallen (Indo-)Europeanen afgeslacht en in massagraven begraven.

    Op 11-10-1945 om 5.00 uur ’s morgens werd een grote groep (Indo-)Europese mannen en oudere jongens uit de omgeving samengedreven bij de tennisbanen van de suikerfabriek Djatibarang. Vervolgens werden zij allen vermoord. Vermoedelijk gaat het hier om ca 150 personen. Niet alle (massa)graven zijn teruggevonden.
    Oogetuigen verklaren dat in Balapoelang en Proepoek in de Bersiaptijd ongeveer 500 lieden vermoord zijn.

    De Australische onderzoeker Roger Knight noemt de slachtpartijen niet voor niets de Suikerfabriekmoorden, zie Death in Slawi: The “Sugar Factory Murders,” Ethnicity, Conflicted Loyalties and the Context of Violence in the Early Revolution in Indonesia, October 1945

    Het belangrijkste probleem is dat verslag over de slachtpartijen op (Indo-) Europeanen en Ambonezeni n Indonesie door ideologische bedenkingen is versluierd. De massamoorden van eigenlijk Indonesiers ondersteunen niet het narratief over Nationale Eenheid dat opeenvolgend Indonesische regeringen propageerden.
    Met als gevolg dat nadat de Revolusi was beeindigd er geen behoefte bestond om de moorden te onderzoeken. Openbare herdenkingen van de Pemuda’s in Oost-Java, zie Surabaya 10 november 1945, verzwijgen het verhaal over hun bloedige acties gedurende de Bersiap. Daarover nadenkend wordt de Onafhankelijkheid geromantiseerd in de volksverbeelding. Dan is het duidelijk waarom de waarheid over de massamoorden op deze Indonesische burgers geheel blijft doodgezwegen.

    De samenstellers van de tentoonstelling beweren weliswaar dat het geweld tijdens de Revolusi algemeen was maar hebben te weinig kennis over de Bersiap in hun tentoonstelling toegepast om voldoende gefundeerde uitspraken ter zake te kunnen doen.

    Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s